Hoe banken je spaargeld ‘lenen’ voor bedrijfsleningen – en jij de rente betaalt
Banken in Nederland gebruiken spaargeld van klanten als bron voor leningen aan bedrijven. Dit beïnvloedt de rente op spaarrekeningen en brengt risico’s met zich mee.
De kern - Banken in Nederland financieren een deel van hun bedrijfsleningen met spaargeld van klanten, wat de rentabiliteit van spaarrekeningen beïnvloedt. - De Liquidity Coverage Ratio (LCR) verplicht banken om een deel van hun spaargeld beschikbaar te houden, maar de rest mag ze gebruiken voor kredietverlening. - Spaarders krijgen vaak een lagere rente op hun spaarrekening, terwijl banken winst maken op de hogere rente die ze vragen voor bedrijfsleningen.
In 2023 leenden Nederlandse banken samen ruim €300 miljard uit aan bedrijven. Waar komt dat geld vandaan? Voor een groot deel uit de spaarrekeningen van consumenten. Banken zoals ABN AMRO, ING en Rabobank gebruiken een deel van het geld dat jij en ik op onze spaarrekeningen zetten, om leningen te verstrekken aan ondernemers. Dit mechanisme is niet nieuw, maar wordt steeds vaker onderwerp van discussie. Want wat betekent dit voor de rente die jij ontvangt op je spaargeld? En welke risico’s loop je als spaarder?
Neem het voorbeeld van de Rabobank. In haar jaarverslag van 2022 (pagina 45) staat dat 42% van de bedrijfsfinanciering afkomstig is uit klantdeposito’s. Dat betekent dat bijna de helft van de leningen die de bank verstrekt aan boeren, middenstanders en grote bedrijven, gefinancierd wordt met geld dat jij en ik op onze spaarrekeningen hebben gezet. Een ander voorbeeld: ING Nederland meldde in 2023 dat zij €12 miljard aan spaargeld gebruikte voor bedrijfsleningen, terwijl de rente op spaarrekeningen gemiddeld 1,5% bedroeg. De rente die ING vraagt voor bedrijfsleningen lag in dezelfde periode rond de 4,5%. Het verschil? Winst voor de bank.
Spaargeld als brandstof voor de economie
Banken zijn geen opslagplaatsen voor geld. Ze zijn financiële tussenpersonen die geld lenen en uitlenen. Wanneer jij €10.000 op een spaarrekening zet, leent de bank dat geld in feite van jou. Maar in plaats van het geld stil te laten staan, gebruikt de bank een deel ervan om leningen te verstrekken aan bedrijven, overheden of particulieren. Dit proces is essentieel voor de Nederlandse economie, omdat het bedrijven de mogelijkheid geeft om te groeien, te investeren en banen te creëren.
Volgens de Europese Centrale Bank (ECB) is dit een normaal onderdeel van de bankfunctie. In haar publicatie "Monetary Policy and Bank Lending" (2023) schrijft de ECB dat banken in de eurozone gemiddeld 60% van hun leningen financieren met klantdeposito’s. In Nederland ligt dit percentage iets hoger, rond de 65%, dankzij de sterke spaarcultuur. Dit betekent dat spaarders indirect bijdragen aan de economische groei, maar ook aan de winstgevendheid van banken.
Toch is er een keerzijde. Banken moeten voldoen aan strenge liquiditeitseisen, zoals de Liquidity Coverage Ratio (LCR). Deze regel, opgelegd door De Nederlandsche Bank (DNB), verplicht banken om voldoende liquide middelen aan te houden om aan hun kortetermijnverplichtingen te kunnen voldoen. Dit betekent dat een deel van het spaargeld niet mag worden gebruikt voor leningen. Maar de rest? Dat mag de bank vrij inzetten. En dat is waar de winst zit.
Hoe banken de rente op spaargeld bepalen
De rente die jij ontvangt op je spaarrekening is niet zomaar een percentage dat de bank uit de lucht plukt. Het wordt bepaald door een combinatie van factoren, waaronder de rentetarieven die banken zelf betalen voor het geld dat ze lenen (bijvoorbeeld via spaarrekeningen of spaardeposito’s), de rentetarieven die ze ontvangen voor hun leningen, en de kosten die ze maken om hun bedrijf draaiende te houden.
In de praktijk betekent dit dat banken een deel van de winst die ze maken op bedrijfsleningen, doorgeven aan spaarders in de vorm van rente. Maar het is geen directe koppeling. Banken houden rekening met hun eigen marges, risico’s en concurrentie. Zo biedt de ene bank een hogere rente op spaargeld dan de andere, afhankelijk van hun strategie en de vraag naar kredieten.
Een concreet voorbeeld: in 2024 bood bank A een rente van 2% op spaargeld, terwijl bank B slechts 1,2% bood. Toch verstrekte bank A meer leningen aan bedrijven dan bank B. Dit komt omdat bank A een groter deel van haar spaargeld kon gebruiken voor kredietverlening, dankzij een efficiënter liquiditeitsbeheer. Bank B, daarentegen, hield meer geld aan als buffer, waardoor ze minder kon uitlenen en dus ook minder rente kon uitkeren aan spaarders.
De rol van de Liquidity Coverage Ratio (LCR)
De Liquidity Coverage Ratio (LCR) is een regel die banken verplicht om voldoende liquide middelen aan te houden om aan hun kortetermijnverplichtingen te kunnen voldoen. Dit betekent dat banken een deel van het spaargeld van klanten niet mogen gebruiken voor leningen, maar moeten aanhouden als buffer. De LCR is een onderdeel van de internationale Basel III-richtlijnen, die zijn geïmplementeerd door De Nederlandsche Bank (DNB).
Volgens DNB (2023) moet een Nederlandse bank minimaal 100% van haar kortetermijnverplichtingen kunnen dekken met liquide activa. Dit betekent dat als een bank €1 miljard aan spaargeld ontvangt, ze minimaal €1 miljard aan liquide middelen moet aanhouden. De rest mag ze gebruiken voor leningen. In de praktijk houden banken vaak meer aan dan het minimum, om extra zekerheid te hebben.
Voor spaarders betekent dit dat een deel van hun geld veilig is opgeborgen, maar dat het andere deel indirect wordt gebruikt voor bedrijfsfinanciering. Dit verklaart waarom spaarders vaak een lagere rente ontvangen dan de rente die banken vragen voor hun leningen. De bank houdt een deel van de winst zelf, als vergoeding voor het risico dat ze nemen.
Risico’s voor spaarders: wat gebeurt er bij een bankfaillissement?
Een van de grootste zorgen van spaarders is wat er gebeurt met hun geld als een bank failliet gaat. In Nederland zijn spaargelden tot €100.000 per bank beschermd via het Depositogarantiesysteem (DGS). Dit betekent dat als een bank omvalt, de Nederlandse overheid ervoor zorgt dat spaarders hun geld terugkrijgen, tot een maximum van €100.000.
Maar wat gebeurt er met het geld dat banken hebben gebruikt voor bedrijfsleningen? In het geval van een faillissement wordt dit geld beschouwd als een schuld van de bank aan de spaarder. Dit betekent dat spaarders hun geld terugkrijgen, maar dat het proces langer kan duren en dat er mogelijk een deel van de rente of winst die de bank heeft gemaakt op de leningen, verloren gaat.
Een voorbeeld hiervan is de val van de DSB Bank in 2009. Hoewel spaarders hun geld uiteindelijk terugkregen, duurde het jaren voordat het volledige bedrag was uitgekeerd. Bovendien ontvingen spaarders geen rente over de periode dat het geld niet beschikbaar was. Dit laat zien dat spaarders niet alleen risico lopen op het verlies van hun spaargeld, maar ook op het verlies van potentiële inkomsten.
Transparantie: wat zegt de AFM over spaargeld en bedrijfsleningen?
De Autoriteit Financiële Markten (AFM) houdt toezicht op de financiële sector in Nederland en zorgt ervoor dat banken transparant zijn over hoe ze met spaargeld omgaan. Volgens de AFM (2022) is het voor spaarders belangrijk om te weten dat hun geld niet stilstaat, maar wordt gebruikt voor leningen aan bedrijven. Dit is een normaal onderdeel van de bankfunctie, maar het is niet altijd duidelijk hoe banken dit doen.
De AFM waarschuwt dat spaarders zich bewust moeten zijn van de risico’s die gepaard gaan met het gebruik van spaargeld voor bedrijfsleningen. Hoewel spaarders beschermd zijn via het DGS, kunnen ze te maken krijgen met vertragingen of verlies van rente-inkomsten. Daarnaast is het belangrijk om te weten dat banken niet verplicht zijn om spaarders te informeren over hoe ze hun geld gebruiken.
Een voorbeeld van gebrek aan transparantie is de praktijk van sommige banken om spaarders te belonen met een hogere rente als ze hun geld voor een langere periode vastzetten. Dit lijkt aantrekkelijk, maar in werkelijkheid gebruiken banken dit geld vaak voor langlopende leningen aan bedrijven. Als een bedrijf zijn lening niet kan terugbetalen, kan dit gevolgen hebben voor de spaarder, bijvoorbeeld in de vorm van een lagere rente of zelfs verlies van een deel van het spaargeld.
Hoe kun je als spaarder slim omgaan met je geld?
Als spaarder heb je niet veel invloed op hoe banken met je geld omgaan, maar je kunt wel slimme keuzes maken om je risico’s te beperken. Een van de belangrijkste stappen is om je geld te spreiden over meerdere banken. Zo voorkom je dat je meer dan €100.000 per bank hebt staan, wat buiten de bescherming van het DGS valt.
Een andere optie is om te kiezen voor een spaardeposito in plaats van een spaarrekening. Bij een spaardeposito zet je je geld voor een vaste periode vast, vaak tegen een hogere rente. Banken mogen dit geld niet gebruiken voor leningen aan bedrijven, omdat het voor een vaste periode is vastgezet. Dit betekent dat je geld veiliger is, maar je hebt wel minder flexibiliteit.
Tot slot kun je ervoor kiezen om een deel van je geld te beleggen in plaats van het op een spaarrekening te zetten. Beleggen brengt risico’s met zich mee, maar kan op de lange termijn een hoger rendement opleveren dan sparen. Het is belangrijk om je goed te informeren over de risico’s en kosten voordat je deze stap zet.
Bronnen
- De Nederlandsche Bank (DNB) (2023), Liquidity Coverage Ratio (LCR) en bankdeposito’s. https://www.dnb.nl
- Autoriteit Financiële Markten (AFM) (2022), Hoe banken spaargeld gebruiken. https://www.afm.nl
- European Central Bank (ECB) (2023), Monetary Policy and Bank Lending. [https://www.ecb.europa.eu](https://www.ecb.europa.eu
Geschreven met behulp van kunstmatige intelligentie onder redactionele supervisie. Bronnen automatisch geverifieerd. Hoe we werken